Elektrisch rijden brengt een nieuw vocabulaire met zich mee. Denk aan laadpunten, snelladers, laadpalen… en natuurlijk de laadpas. Maar hoe zeg je het eigenlijk correct: de laadpas of het laadpas?
Het korte antwoord: de laadpas
De juiste vorm is de laadpas. Net als bij laadpaal is laadpas een samenstelling: het bestaat uit het werkwoord laden en het zelfstandig naamwoord pas. Het lidwoord van het samengestelde woord wordt bepaald door het laatste deel – in dit geval pas.
En wat zeggen we?
- de pas
- de toegangspas
- de bankpas
- de laadpas ✔️
Dus: het is altijd de laadpas.
Waarom is er twijfel?
Twijfel ontstaat vaak omdat moderne of technische woorden soms onzijdig aanvoelen. Denk aan:
- het toestel
- het abonnement
- het kaartje
En bij woorden als laadpas denkt men misschien ook aan een kaart of een device, wat verwarring kan geven. Maar in het Nederlands geldt nog steeds: de pas → de laadpas.
Handig ezelsbruggetje
Als je ooit twijfelt, kijk dan naar het tweede deel van het woord:
| Samenstelling | Laatste deel | Lidwoord |
|---|---|---|
| Laadpas | pas | de |
| Betaalpas | pas | de |
| Toegangspas | pas | de |
Dus ook: de laadpas
Wat als het verkleind wordt?
- het laadpasje – klopt helemaal
Zoals altijd krijgt een verkleinwoord automatisch het, ook al is het grondwoord een de-woord.
Maar:
- de laadpas (juist)
- het laadpas (fout)
Tot slot
Elektrisch rijden is de toekomst, maar goed Nederlands blijft belangrijk. Gebruik je binnenkort een laadpas om je auto op te laden? Weet dan dat het aan de laadpaal gebeurt, met de laadpas in de hand.
